Negentig jaar geleden, op 24 april 1915, ontketende,
organiseerde en realiseerde de regering van de Jong-Turken
van het Ottomaanse Rijk de opzettelijke uitroeiing van het
Armeense volk. In minder dan twee jaar werd tweederde van de
2,5 miljoen Armeniërs die in het Ottomaanse Rijk leefden,
alsook meerdere honderdduizenden Assyro-Chaldeeërs, in
koelen bloede en methodisch geëxecuteerd: mannen, vrouwen en
kinderen.
Deze genocide, voltooid na de eerdere
‘pogingen’ van 1894-1896 (driehonderdduizend Armeniërs
werden gedood), werd uitgevoerd met als doel een drieduizend
jaar oud volk van zijn voorouderlijke gronden te
verwijderen. Hiermee wilden zij een multi-etnisch en
multireligieus land omvormen tot een ‘zuiver Turkse club’.
In 1923, eens ook de overlevenden van deze genocide uit het
land waren verwijderd, bleven er nog geen vijftigduizend
Armeniërs over in de Turkse republiek.
Deze ultranationalistische ideologie, die
zich afzet tegen de multi-etnische en multireligieuze
realiteit van Turkije, is sindsdien de gedragscode geworden
van de Turkse staat. Dit extreemrechtse nationalisme heeft
hen achtereenvolgens gebracht tot de verdrijving van de
Grieken uit Klein-Azië (1923), de massamoord op de Koerden
in Dersim (1925 en 1937) en in Ararat (1930), tot het
opsluiten van haar christelijke en joodse burgers in
werkkampen tijdens de Tweede Wereldoorlog, tot het uitvoeren
van een pogrom tegen haar Griekse minderheid (1955), tot de
inval in Cyprus (1974), tot het leiden van een
vijfentwintigjarige oorlog tegen haar Koerdische onderdanen
(1980-2005) en tot een vijftienjarige blokkade tegen Armenië
(1991-2005). Ook de Turkse opposanten werden slachtoffer van
deze dodelijke ideologie en lijden onder dezelfde
onverbiddelijke repressie: massale arrestaties, pogroms,
foltering, gevangenis en executie.
Sinds 1915 heeft Turkije de toegebrachte
morele en materiële schade nog vergroot; met name door de
vernietiging van het Armeense patrimonium in het huidige
Noordoosten van Turkije en de onderdrukking van de
overblijvende Armeense minderheid voort te zetten. Bovendien
blijft zij de realiteit van de genocide op een agressieve en
haatdragende manier ontkennen.
Nu Turkije ambieert om toe te treden tot
de Europese Unie, moet zij eindelijk breken met haar
traditie van geweld en straffeloosheid. In plaats daarvan
zou zij de Europese waarden en principes moeten aannemen.
Zij moet haar misdaad erkennen en vergoeden alsook alle
misdaden waaraan zij zich sinds negentig jaar schuldig
maakt. Tevens dient zij haar politiek van negatie ten
aanzien van deze genocide en haar politiek van haat ten
aanzien van de minderheden stop te zetten.
Wij – burgers van Europa en van Turkije –
roepen de Europese Unie en de lidstaten van de Europese Unie
op om duidelijk en expliciet rekening te houden met deze
eisen van erkenning en vergoeding in het kader van de
toetredingsonderhandelingen met Turkije. Daarnaast vragen
wij aan de Europese Unie om met aandrang van Turkije te
eisen om effectief een beleid uit te bouwen dat enerzijds de
sociaal-culturele ontwikkeling van ‘haar’ minderheden zou
bevoordelen en hen anderzijds zou verzekeren van een
redelijke vergoeding voor de immense schade die zij sinds
een eeuw ononderbroken lijden.
Tot slot roepen wij de Turkse staat op om
zich groots op te stellen door de genocide op de Armeniërs
volledig te erkennen, om een ware rechtsstaat te installeren
waarin de verschillende componenten van haar samenleving
democratisch vertegenwoordigd worden, om institutionele
mechanismen op te zetten en om een educatieve politiek en
een politiek van de herinnering van de genocide te initiëren
opdat de catastrofe van de genocide definitief tot het
verleden zou behoren. Wij nodigen de leiders van de Turkse
republiek uit om samen te komen aan het gedenkteken van de
genocide in Jerevan, Armenië, zoals ook M. Willy Brandt
indertijd heeft gedaan in Warschau, in Polen.
Wij sporen alle humanistische krachten aan
om ons initiatief te steunen. Wij roepen de Belgische
politieke verantwoordelijken – lokaal, regionaal, nationaal
en Europees– op om alle middelen die in hun macht liggen aan
te wenden om Turkije te dwingen deze noodzakelijke stap naar
de democratie te zetten. |